Het rijke roomse leven in brabant 1900-1970

Op kostschool

Rooms prentenboek
Omstreeks 1960 hoorde je vaak praten over jongens en meisjes die “op kostschool” waren. Het konden schipperskinderen zijn, die vanwege het beroep van hun ouders en vanwege de leerplicht op zo’n instituut waren aangewezen.

Maar vaak waren het ook kinderen van rijke boeren of van katholieke ouders in Zeeland die hun kinderen naar katholieke internaten in Brabant stuurden. En vanzelfsprekend kwamen ook de jongens en meisjes met een priester-, broeder- of zusterroeping op een internaat terecht.

Klas van een internaat van de fraters van Tilburg, 1920 (bron: Regionaal archief Tilburg)

Klas van een internaat van de fraters van Tilburg, 1920 (bron: Regionaal archief Tilburg, fotonummer )

In september 1961 – ik was toen twaalf – begon mijn kostschoolleven. De daaraan voorafgaande vakantieweken vormden een aanloop. Zo timmerde vader een kist voor het beddengoed en de kleren. En er moest afscheid worden genomen van familie en kennissen, want pas begin november, met Allerheiligen, zou ik weer thuiskomen voor een vakantie van drie dagen.

Die laatste dag thuis was heel onwezenlijk. Alle spullen stonden klaar en ik realiseerde me toen pas dat ik ’s avonds niet thuis in mijn eigen bed zou slapen. Vóór het vertrek werden buiten nog foto’s gemaakt van het hele gezin en toen kwam ome Sjaak voorrijden met zijn Mercedes. Wij hadden geen auto en toevallig ging ook een zoon van ome Sjaak en tante Dien voor het eerst naar dezelfde kostschool, in Zundert. Zo konden moeder en ik meerijden.

Na het inruimen van alle spullen en het opmaken van het bed in een van de slaapzalen kregen we de laatste instructies van onze ouders, die daarna weer in de auto stapten. En toen begon dus echt het kostschoolleven. Niet zonder tranen overigens, want ’s nachts was in de open slaapzaal her en der gesnik te horen:  heimwee dus, of op z’n West-Brabants: vaart!

Gelukkig begon de volgende dag het schooljaar en werden we van half 7 ’s ochtends tot half 10 ’s avonds strak ingeroosterd . Op een of andere manier dacht ik daardoor minder aan thuis en raakte ik meer gefocust op de mini-samenleving waarvan ik zes jaren deel zou uitmaken.

Herinneringen aan de kostschool

Paula Franken uit Bergen op Zoom

Ik zat op kostschool in Oudenbosch. Mijn ouders kregen een brief: Geachte ouders. Het zal u ongetwijfeld bekend zijn dat de mode voor het aanstaande zomerseizoen voor katholieke vrouwen en meisjes niet aanvaardbaar is. Het aangeknipte mouwtje ontbreekt dikwijls en de halsuitsnijding is te breed en te diep waardoor inkijk ontstaat die niet esthetisch is en vaak onzedig. Wij zijn er van overtuigd dat u deze excessen zult vermijden als u zelf jurken maakt. Wat de confectie biedt, kan in de meeste gevallen niet gedragen worden. Gelieve u beslist te houden aan de voorschriften.

M. Soethoudt-Van Orsouw uit Breda

's Morgens werden we gewekt door de zusters. Het was dan kwart over zes en een uur later werden de kinderen in de kapel verwacht om de mis bij te wonen. Met de slaap nog in de ogen baden ze hun ochtendgebed. Na het laatste kruisteken moesten ze hun bedjes afhalen. De lakens werden keurig met de punten naar elkaar gevouwen. De groepsnon controleerde. Ze was erg secuur en als ze het niet goed vond, moest het karwei overgedaan worden. Eén deken van het bed werd terzijde gelegd. Onder die deken moesten de kinderen zich aankleden. Knielend naast hun bed verwisselden de jeugdigen met veel handigheid hun hansopjes voor de donkerblauwe gestichtsjurkjes. De deken gedrapeerd over hun lichaam. Er mocht niets van elkaar gezien worden.

Jongens van seminarie Beekvliet, geëvacueerd in Udenhout, in de wasgelegenheid, c. 1942-1945 (collectie BHIC)
Jongens van seminarie Beekvliet, geëvacueerd in Udenhout, in de wasgelegenheid, c. 1942-1945 (collectie BHIC, fotonummer 1910-002156)

Sommigen vonden het leuk om naar de bewegende dekens te kijken waar de anderen nog onder zaten. En wat moesten ze lachen als er ergens een hand of een voet onder de deken tevoorschijn kwam. Dat deed denken aan het spelletje 'Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Jammer dat je dat plezier met niemand kon delen. Praten in de slaapzaal was ten strengste verboden.

Op een morgen was er een nieuw kind in het tehuis opgenomen dat nog nooit met dit hele gebeuren te maken had gekregen. Ze moest zich toch omkleden, maar wist natuurlijk niet hoe. We konden het niet voordoen. Dat zou de non erg onfatsoenlijk gevonden hebben. 'Want jouw lichaam is jouw eigen geheim', zei ze wel eens. En wat vooral niet mocht, was alles tegelijk uitdoen zodat je bloot zou zijn. Dat mocht zelfs niet onder de deken. Je moest bij het verwisselen van het ondergoed te allen tijde ofwel je kamizooltje (een soort borstrokje) ofwel je directoirtje (een soort onderbroekje) aan houden. De non legde uiteindelijk uit hoe de nieuweling moest handelen. En met horten en stoten kwam het later wel goed.

Anoniem uit Breda

Ik weet nog dat we op het internaat met een wasschort in bad moesten. Over geslachtsdelen werd nooit gesproken en 's nachts moesten we met onze handen boven dekens slapen. Op overtredingen stonden strenge straffen. Het gebeurde dat je op je blote knieën lang tijd op de marmeren vloer moest knielen.

Loet van Hoogenhuizen uit Teteringen

Ik zat rond 1948 in het Sint Willebrordusgesticht in Breda samen met zo'n vierhonderd andere jongens. De eerwaarde broeders droegen een zwarte toga met een koord om hun buik waarin drie grote knopen zaten.

Wij hadden als zesjarigen iedere dag om halfzeven een morgengebed. We moesten dan op onze knieën gaan zitten. Vervolgens gingen we naar de kapel. Eerst een kruisje met wijwater. Vergat je dat, dan kreeg je een klap tegen je hoofd van een broeder die zich verdekt had opgesteld. Zat je tijdens de mis te slapen of te praten, dan werd je door dezelfde broeder uit de bank gesleurd. Je moest weer op je knieën en een uur lang met je handen omhoog. Als je je handen liet zak­ken dan gebruikte de broeder het beruchte koord en hij riep dan: 'God ziet je en hij huilt van verdriet'.

N. van de Luijtgaarden-Van de Klundert uit Standdaarbuiten

Ik zat op de opleiding voor dienstbodes op kasteel Bouvigne in Breda. Meisjes vanaf zestien jaar konden daar terecht. De opleiding werd volledig door het Rijk betaald en duurde drie maanden. Na de eerste zes weken mochten we naar huis. Ik weet nog dat ik tegen mijn moeder zei dat ze daar witte gootstenen hadden, maar dat waren wastafels. Ik was zestien jaar en had nog nooit zo'n ding gezien. Toen de drie maanden om waren, konden mevrouwen uit de omgeving van Breda contact opnemen met Bouvigne en zo een meisje uitzoeken. Met veel plezier ben ik jarenlang dienstmeisje geweest en was ik thuis uit de ellende.

Pupillen en leiders van het internaat Sint Antonius in Bergen op Zoom (bron: West-Brabants Archief)
Pupillen en leiders van het internaat Sint Antonius in Bergen op Zoom (bron: West-Brabants Archief, fotonummer )
Toos van Dorst-Baeke uit Sas van Gent

Ik volgde de opleiding tot dienstbode in Breda. Ik werd er heen gebracht met een kartonnen koffertje, waarin wat schamel goed zat. Mijn slaapplaats was een plekje op een zaal met een gordijntje eromheen. Vooral de kooklessen waren interessant. Bij de wasbeurten moesten we op onze knieën gaan zitten en een grote krant voor ons leggen. Vervolgens moesten we luizen kammen. We stikten er allemaal van. Hoe meer er op de krant vielen, hoe meer plezier we hadden.

Het eten was in die tijd niet overdadig. Het overschot van het middagmaal werd gestampt en dat kregen we ‘s avonds weer op ons brood. Op een keer moest ze met een paar meiden naar de slager om vlees te halen. Wij waren nog zo groen als gras en lieten ons dus van alles wijs maken. De slager vroeg of wij van een stukje verse worst hielden. Dat wilden we wel, waarop de slager zei: als je wat groter bent lopen er jongens genoeg rond die voor een eindje verse worst zorgen. Moet je nagaan. Meisjes van zestien of zeventien jaar die nog van niets wisten. Wij keken de slager aan en deelden hem mee dat we nooit zouden trouwen omdat we zuster of gezinsverzorgster wilden worden.

Anoniem

Eens per week gingen we vanuit Bouvigne naar het Sportfondsenbad om er te leren zwemmen. Het zwempak stelde niet veel voor. Iets van bruin 'baal' katoen. Vermoedelijk van het zwembad zelf. We leerden de beenslag op een eigenaardige manier. Met droogoefeningen en op de rug liggend: benen intrekken, spreiden, sluiten. Dat moesten we nogal dikwijls doen van de badmeester in die niets verhullende, lubberende zwempakjes.

A. Wanrooij-Graafmans uit Didam

Tijdens de oorlog zat ik in het vormingskamp voor werkeloze meisjes in kasteel Bouvigne. Ik heb daar eerst zes weken en later nog eens drie maanden gezeten. 's Morgens werkten we in gezinnen of bij instellingen als Moederheil, 's middags waren er godsdienst- en oriëntatie­lessen en 's avonds was er ruimte voor sport en spel. Ik heb daar een mooie, leuke en vooral leerzame tijd gehad. De meisjes droegen een uniform. Een blauwe rok, een lichte crèmekleurige blouse met een geruite Schotse strik en een baret.

Bron van deze herinneringen

Ad Rooms, Het Rijke Roomse Leven: Herinneringen met weemoed en weerzin, Raamsdonksveer 2002-2006

Reactie toevoegen

Je e-mailadres is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Platte tekst

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.