Het rijke roomse leven in brabant 1900-1970

De Gouden Jaren van Mater Misericordiae

Internaten

Ans Mannaerts, Jo de Laat en Thea Zegers volgden alle drie een interne opleiding aan de kweekschool Mater Misericordiae in Tilburg . Ze begonnen daar in 1955 en studeerden er in 1960 af als onderwijzeres. Zestig jaar later staan ze nog altijd met elkaar en andere oud-klasgenoten in contact, zij het niet meer zoveel als vroeger. Over één ding zijn de drie het eens: Het was een fantastische tijd!


Kapel kweekschool, 1955
Modernisering

Het internaat was gevestigd aan de Oude Dijk in Tilburg en behoorde toe aan de Zusters van Liefde. Het eerste jaar dat de drie vrouwen op het internaat zaten, werd het nog bestuurd door een zuster die nog van de oude stempel was, zo laat Mannaerts weten. Echter met de komst van de nieuwe directrice Ancilla Cottaar werd het beleid flink omgegooid. Het leven op het internaat moderniseerde als een gevolg. Zo kwam er moderne literatuur in de bibliotheek in plaats van religieuze, mochten de meisjes op dansles (met jongens) en werd hun meest verafschuwde verplichting afgeschaft: elke week in een bruin mantelpakje, in lange rijen van twee-aan-twee, door Tilburg lopen.

“Dat was een of ander vies bruin mantelpakje”, vertelt Mannaerts, “Een rokje met een jasje erbij… Dat was wel een afgang. Dat herinner ik me nog wel, dat we dat niet zo prettig vonden”. Ook Zegers heeft hier geen goede herinneringen aan. “Vreselijk uniform was dat!”, zegt ze wanneer haar gevraagd werd naar deze wandelingen, “Dat was echt verschrikkelijk, maar dat is na het tweede jaar weggegaan. Toen mochten we gewoon normale kleren aan”.


Grote recreatiezaal kweekschool, 1955
Hechte klas

Het is opvallend dat alle drie de oud-kostschoolleerlingen zich herinneren hoe hecht de groep was, ook al waren ze erg verschillend. Zo was De Laat naar eigen zeggen een erg ijverig meisje. Ze vond leren erg leuk en las bijvoorbeeld ook graag religieuze boeken. Zegers daarentegen was samen met drie andere deel van ‘de bende’ genaamd Te-Ri-To-Ri (Thea, Rikki, Toos, Riet). Een van de streken die deze bende uithaalde was bijvoorbeeld het omdraaien van alle matrassen, zelfs die van de zuster die surveilleerde. “Het was allemaal maar simpele flauwekul”, vindt ze nu, “maar het was in die tijd heel spannend”.

Het kattenkwaad van enkele leerlingen zorgde er echter wel voor, dat het kostschoolleven interessanter werd voor al degenen die zich wél aan de regeltjes hielden. Zo zei een andere leerling ooit tegen Zegers: “Als jullie niet zo vervelend geweest waren, was ik naar huis gegaan, want het was de enige lol dat ik had”. Aan de andere kant had zijzelf nooit haar opleiding afgerond zonder Mannaerts. “Zij hield mij in toom in de studie-uren die we hadden, want anders kwam er niks van”, vertelt ze.

Een goed voorbeeld om de hechtheid van de groep te illustreren, is het feit dat de leerlingen elkaar hielpen om niet gesnapt te worden bij het overslaan van de ochtendmis. “Je moest elke ochtend naar de kerk en dan was het natuurlijk een hele spanning als je toch op je slaapkamer kon blijven, als ze je niet betrapt hadden”, vertelt Zegers, “Dan ging bijvoorbeeld die rij waar je in zat (want je had ieder een vaste plek) heel breed zitten, dus die zat zogenaamd helemaal vol."


Kleine recreatiezaal kweekschool, 1955
Goed onderwijs

Ook zijn ze het er alle drie over eens dat het onderwijs op het internaat van goede kwaliteit was. Voor iemand die van leren hield, zoals De Laat, was daar alle ruimte voor. “Het was er allemaal op gericht dat je maar goed werkte”, zegt ze, “Dat je later goed les kon geven”. Het studeren stopte eigenlijk nooit. “Je begon al ’s morgens. Dan stond je op tijd op en kon je je lessen altijd nog nakijken. Dan ging je naar de les. Als je thuis kwam, nam je je werk gewoon mee. Dan ging je in het weekeind zitten studeren”, vertelt ze. Na het afstuderen was ze bevoegd om in verschillende vakken les te geven. Zo gaf ze later onder meer Nederlands, wiskunde, aardrijkskunde en geschiedenis.

Mannaerts vond het internaat eveneens een fijne plek om te studeren. Hier kon ze de rust vinden om zich op haar studie te concentreren, waar ze thuis veel huishoudelijke taken en afleiding van haar zeven broers en zussen had. “En je kwam daar op de kweek en alles werd voor je gedaan. Je hoefde alleen je eigen slaapkamertje bij te houden en je moest studeren”, vertelt ze. “Je zat in de studiezaal met zoveel kinderen, maar er mocht niet gepraat worden, er stond geen radio aan, er waren geen krijsende kinderen die rondliepen, er was rust”.


Ziekenzaal van het internaat
Reünie

De drie oud-klasgenoten hebben in de loop der jaren verschillende reünies bijgewoond. Ook toen het internaat nog bestond. Tijdens een van deze reünies hebben ze gesproken met leerlingen die destijds op het internaat zaten. Zij waren een stuk negatiever over het leven daar dan de klas die in 1960 afstudeerde. Zegers kan zich herinneren dat zusjes van hun klasgenoten die ook naar het internaat zijn gegaan, hier ook een veel minder leuke tijd hadden dan zijzelf.

Aangezien het leven op het internaat een stuk strenger was vóór 1955 en de leerlingen na 1960 minder positief waren over Mater Misericordiae, lijken de jaren dat deze drie vrouwen op het internaat hebben gezeten achterafgezien ‘de gouden jaren’ van het internaat. Door de verhalen van deze drie oud-leerlingen lijkt het erop dat de hechte band van de groep hiervoor van groot belang was. Dit laat zien dat de groep waar je in terechtkwam van groot belang is voor iemands ervaringen van het leven op kostscholen.

Als jij ook op kostschool hebt gezeten, laat het ons dan weten. We zijn ook erg benieuwd naar jouw ervaringen! Reageer hieronder of stuur ons je verhalen en foto's naar internaten@bhic.nl.

Reactie toevoegen

Je e-mailadres is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Platte tekst

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.