
voordat hij naar het seminarie ging
Die herinneringen kwamen onlangs weer tot leven door een documentaire op televisie over Nederlandse Witte Paters in Afrika. Ik zag beelden van een missiepost die inmiddels grotendeels werd geleid door lokale paters, broeders en zusters. Indrukwekkend om te zien wat daar in zo’n honderd jaar was opgebouwd.
Een Nederlandse missionaris op respectabele leeftijd vertelde over het werk. Soms waren zijn verhalen ook schokkend: zo droeg hij onder zijn kleding een revolver, omdat zij al meerdere malen met geweld waren overvallen. Maar bovenal zag ik prachtig ontwikkelingswerk. Zorg, onderwijs, landbouw en welzijn. Ik dacht: wat hebben al die missionarissen en zusters toch geweldig veel werk verzet.
En wist men eigenlijk dat Nederland ooit een van de landen was die wereldwijd de meeste missionarissen, zusters en andere religieuzen naar de missiegebieden uitzond? Bijzonder, zo’n klein land.
Maar hoe kwam zo’n jong kereltje als ik erbij dat hij missionaris wilde worden?
Ik herinner mij nog goed een kinderkerkboekje. Daarin stond een voor mij toen indrukwekkende gekleurde afbeelding die ik, als ik naast mijn moeder in de kerk zat, steeds weer opzocht. Je zag een rond Afrikaans lemen huisje met een dakje van stro. Ervoor knielde een klein meisje met veel krullen, een rokje van stro en blote voeten. Voor haar stond, fraai getekend en op de rug gezien, een rijzige Witte Pater. Natuurlijk in een wit habijt, met rozenkrans, tropenhelm en open sandalen. In zijn hand hield hij een kruisbeeld, naar het meisje gekeerd. Er stond geen tekst bij. Als jong ventje dacht ik waarschijnlijk: En nou ga je je bekeren, hè... Die sandalen kende ik trouwens wel. Mijn lieve moeder had drie zusjes die allemaal non waren, Franciscanessen van Oirschot. Zij liepen ook op zulke dingen, maar dan met witte sokjes. Als wij die tantes bezochten, zaten zij achter tralies en waren ze rond het hoofd getooid zoals de zusters in The Sound of Music.
Aan Roomse sfeer dus geen gebrek.
Op de lagere school zat ik bij de Fraters van Utrecht. Mijn zusjes gingen naar school bij de zusters. Vader zong als hobby en voor wat zakgeld bij de Katholieke Radio Omroep, in de toen vermaarde Schola Cantorum met gregoriaanse muziek. Wij woonden bijna tegenover de KRO, met iets verderop de schitterende Sint-Vituskerk van Pierre Cuypers. Het kon nóg Roomser: de katholieke verkennerij, tennis bij de rooms-katholieke LTC Rapid, waar zelfs een kapelaan van onze parochie speelde, en schuin tegenover ons huis stond de grote kweekschool van de Fraters van Utrecht, mét fraaie kapel. En bij mijn geboorte, ik was prematuur, beviel mijn moeder natuurlijk ook nog eens in een katholiek ziekenhuis van de zusters Ursulinen.
Dat alles in Hilversum.
Het ging gebeuren
De zesde klas was afgerond, evenals onze gezinsvakantie van vier weken in Bergen aan Zee. Vader en moeder zetten mij met de auto af op het kleine NS-station van Hilversum. Daar ging ik. Geheel alleen, voorzien van een zware koffer, gitaar en rugzak. Via Utrecht en Eindhoven reisde ik het zuiden in. Na Eindhoven moest ik goed opletten, want bij Sterksel stopte de trein slechts een enkele keer per jaar, speciaal voor de seminaristen.
Eenmaal aangekomen moest ik met die zware koffer nog een behoorlijk eind lopen. Maar daarna volgde een geweldige, bijzonder warme ontvangst. Vooral van één nog zeer jonge pater die ons als eerstejaars opving. Helaas ben ik zijn naam vergeten. Ik weet alleen nog dat hij pas kort daarvoor tot pater was gewijd.
En wat een geweldig, imponerend gebouw was het.
Al snel kregen we een rondleiding. We zagen de kapel, de studiezaal en een grote recreatieruimte met biljart en pingpongtafel en plekken waar allerlei spelletjes gedaan konden worden. Er stonden lekkere stoelen om wat te lezen. Er waren muziekkamertjes met onder andere een harmonium, piano en snaarinstrumenten. Mijn gitaar was mee, dus dat zag er meteen goed uit.
Verder waren er de refter, een grote toneelzaal, klaslokalen, het patershuis en het Italiaanse zusterhuis, waar werd gekookt en gewassen.
Buiten lagen een vijver, tuinen, perken en bossages, een voetbalveld en een konijnenheuvel. Aan de overkant van een zijweg lag een tennisbaan met ‘stoeptegels’ en daarnaast een huis van de Witte Zusters van Lavigerie. Tegenover het hoofdgebouw stond een boerderij die door de Witte Broeders werd gerund. En dan was er nog de Chur, een stenen plein tussen de kapel en de studielokalen.
Na dat alles gezien te hebben gingen we naar boven, naar onze slaapplaatsen. Daar stonden vele houten chambrettes, vierkant opgetrokken en voorzien van een deuropening waarin een vrolijk gordijntje hing. Een plafond hadden ze niet. Alles was geschilderd in fiscaal blauw. Binnen stond een houten bed met een goede matras, een vast nachtkastje en een kast. Voor die kast stond mijn eigen hutkoffer als tafeltje. Die koffer met inhoud had moeder al eerder laten toesturen. Ik zou tenslotte bijna een heel jaar wegblijven en alleen met Kerstmis even naar huis gaan. Ik greep in niets mis. Zelfs mijn Friese doorlopers waren mee. Mijn chambrettenummer was 82. Dat nummer heb ik later nog vaak gebruikt. Ook waren er op de etage was- en doucheruimtes en vooral heel veel ramen.
Het hele gebouw, hoe oud ook, ademde licht en ruimte.
Heimwee en studie
Die eerste periode voelde plezierig, vertrouwd en rustgevend. Ook mijn medestudenten, allemaal eerstejaars, waren meer dan genoeglijk. Veel werd meteen in teamverband gedaan en gestudeerd, terwijl ik eigenlijk helemaal geen teamspeler ben. Chapeau voor die paters, die dat voortreffelijk in de vingers hadden. En vooral weer die ene jonge pater, op wiens naam ik tot mijn ergernis nog steeds niet kan komen. Hij begeleidde ons het hele jaar door dik en dun. Dat voelde goed.
Toch was het natuurlijk een enorme verandering om als dertien- of veertienjarige zo abrupt uit je veilige thuissituatie te raken. Van heimwee had ik af en toe zeker last, vooral als ik ’s avonds op de slaapzaal lag. Nu ik er als tachtiger op terugkijk denk ik: dit moet je zulke jonge kinderen eigenlijk niet aandoen. Ook toen niet. Maar het was het tijdsbeeld.
Intussen werd er stevig gestudeerd. En ik was bepaald geen hoogvlieger. Op de lagere school was het al met hangen en wurgen gegaan. De eerste klas deed ik zelfs twee keer, zo knap was dit kereltje. Tot en met de vijfde klas bleef het steeds kantje boord. De zesde klas ging opeens uitstekend. Dat kwam mede door een geweldige onderwijzer, frater Don Bosco. Zo zie je maar wat pedagogiek vermag. Op het seminarie was het opnieuw flink aanpoten. De studie kon ik dikwijls maar nauwelijks behappen, en soms helemaal niet. De paters hadden dat zeker door, maar lieten daar weinig van merken. En ikzelf al evenmin. De antennes stonden aan beide kanten goed afgesteld. Aan het eind van het studiejaar ging ik uiteindelijk voorwaardelijk over naar de tweede klas.
Maar daarover later meer.
Aan vertier geen gebrek
Er was beslist geen gebrek aan ontspanning. Zo had het seminarie een muziekbandje waarin ik al snel werd gebombardeerd tot eerste gitarist. Wat een eer! Hans van Gool, zijn naam weet ik nog, leidde het bandje en zat achter de toetsen.
In de toneelzaal werden regelmatig kleurenfilms over Afrika vertoond die door de paters zelf waren gemaakt. En die waren bepaald niet amateuristisch. Op een weekend kwam zelfs een compleet gezelschap, ‘De Zaankanters’ genaamd, met solisten, decorstukken en instrumenten een operette opvoeren: Der Vogelhändler van Carl Zeller. Wat prachtig.
Ook gingen we soms met zijn allen naar de film in Providentia, een groot tehuis elders in Sterksel. Daar zagen wij bijvoorbeeld Sissi. En dat voor religieuze studentjes.
In de vrije tijd werd veel gewandeld, in de weekenden soms een hele dag. Het platteland rond Sterksel was schitterend. Dat Brabantse land van de jaren vijftig staat nog altijd in mijn geheugen.
Carnaval vierden we in het rooms-katholieke parochiehuis naast de kerk van Sterksel. Handenarbeid kregen we in een splinternieuw schooltje in het dorp.
Kortom: ik weelde er tierig.
Sorry: ik tierde er welig.
De refter en de kapel
De refter was de eetzaal. We aten aan lange tafels, gezeten op banken zonder rugleuning. Voorin zat op een verhoging tijdens de maaltijden een soort pater-suppoost. Hij bad vooraf en na afloop en deelde zo nodig actuele informatie. Voor de rest was het een herrie van jewelste, maar wel netjes. De Italiaanse zusters kookten de sterren van de hemel. Het eten was heerlijk, we kwamen niets tekort en op feestdagen was er natuurlijk extra lekkers.
De kapel was in zo’n seminarie vanzelfsprekend niet onbelangrijk. Iedere dag stonden we om zes uur op. Daarna drie kwartier studeren en om zeven uur met zijn allen naar de kerk. Die ochtendmissen ervoer ik als zeer aansprekend. We baden en zongen ook daar de sterren van de hemel. Het voelde voor mij helemaal niet als een verplichting. Het deed me werkelijk iets.
Was er dan toch sprake van een roeping?
Als ik er nu op terugkijk, zal ook de naïviteit van een kind een rol hebben gespeeld.
Mooi waren de processies door tuin en bos. Vooraf maakten wij met gekleurd zaagsel en houtmot religieuze tekens en voorstellingen langs de route.
Ook voor en na het studeren werd gebeden. Maar overdreven voelde het eigenlijk nooit. Het seminarie was naar mijn herinnering eigentijds en modern, met alles in redelijke mate.
En voor zover ik zelf ooit heb ervaren, was er geen sprake van ongewenste handtastelijkheden. Ook de schijn daarvan heb ik niet meegemaakt.
Namen uit een ver verleden
Van de namen van medeleerlingen en paters is helaas weinig blijven hangen. Een paar heb ik nog kunnen opvissen: pater Van Waesberghe, pater Peters, pater Bekkers of De Bekker, pater Kersens... ergens was ook nog een pater die familie zou zijn geweest van de Willem II-sigarenfabriek ‘uit ut suden’. En een pater De Rooy, of iets wat daarop leek. Ook herinner ik mij een klasgenoot uit Aalsmeer met wie ik goed bevriend was en wiens heeroom pater was. Nog verrassender: twee jaar geleden ontmoette ik na een kerkdienst in de Vituskerk in Hilversum een Witte Pater met de naam Cor Heuft.
Zo duikt het verleden soms ineens weer op.
Wij waren een heel jaar intern en mochten slechts eenmaal naar huis: met Kerstmis. Er was wel een bezoekdag voor de ouders, ergens in het voorjaar. Ik weet nog goed dat vader, moeder en mijn jongste broertje kwamen. Vooraf was ik vreselijk nerveus. Totdat ze er eenmaal waren. Dat jongste broertje, Gerard, ging later trouwens óók studeren bij de Witte Paters, maar dan in Santpoort. Hij hield het langer vol dan ik: drie jaar.
Zo hadden wij samen zomaar ergens in een Afrikaans missiegebied kunnen belanden.
Maar bij mij bleef het bij één jaar.
Waarom?
Dat begon met een uitnodiging van pater overste, kort voor de zomervakantie.
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
Reactie toevoegen