Het rijke roomse leven in brabant 1900-1970

Adieu Beekvliet! Zes jaar internaatsverblijf (1959-1965) (deel 2)

Ontbijt, lunch en diner vonden altijd plaats in een van de twee eetzalen oftewel refters: een grote en een kleine. De kleine was voor de Kleine Figuur; ik schat voor zo’n honderd jongens, in de grote eetzaal zaten we met zo’n driehonderd man. Erg stil tijdens het eten was het dus nooit!

Foto:  BHIC, Digitale collectie Reunistenvereniging Beekvliet, nr. 1943-000042)

Eten en drinken

De maaltijden waren altijd goed verzorgd door de nonnen, maar je moest wel zelf zorgen dat je voldoende aan je trekken kwam. De porties waren niet voor ieder persoonlijk afgepast: je nam gewoon waar je behoefte aan had. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit met honger van tafel ging, hoewel brood of beleg soms wel eens ‘op’ was. Heel soms stopte ik een hongergevoel met koek of snoep dat ik van thuis kreeg gebracht bij de was. Ook koffie en thee was er altijd voldoende. En hoewel ik de rekeningen voor ‘extra gebruik’ nog heb, weet ik eigenlijk niet meer dat ik ’s morgens of ’s avonds extra melk kreeg aangeboden. Schalen en bakken waren merendeels van roestvrij staal, iedereen had zijn eigen plaats met eigen servetring. Ik had zelfs een echte zilveren servetring (cadeautje van mijn tante), maar het was niet zo handig om die te gebruiken: wanneer de nonnen de tafel dekten, gingen ze met een grote mand vol standaard servetringen en ´eigen´ servetten (op iedere servetring stond een nummer) langs de tafels en stoelen, en wonderlijk genoeg lag iedere ring en servet elke dag weer op de juiste plaats. Een afwijkende ring was dus onhandig. Het diner was ’s middags en werd opgediend door jongens van de hoogste klas; daarvoor was een rooster opgesteld zodat iedereen een aantal keren per jaar aan de beurt kwam. Niet zozeer het opdienen was een feest, maar vooral het eten met de opdienclub naderhand. Je mocht dan in een aparte ruimte eten, en meestal zat daar iets lekkers bij of was er van alles overvloedig voorhanden. Het was hetzelfde eten als de ‘heren’ (leraren) kregen. Op bijzondere (feest)dagen was er altijd wel iets bijzonders te eten. Beelden die vooral nog boven komen zijn het krentenbrood (tulband) met kaas of ham bij de verjaardag van de regent, koude watergruwel als ´soep´ vooraf, héél af en toe zoutloos brood, gebakken aardappels (´gebákken´, werd er dan altijd geroepen), aardappels met appelmoes (hete bliksem), spinazie (ondeugende gedachte: we kregen die meestal als de sportvelden waren gemaaid!).

Gebruiken en gewoonten

Een internaatsituatie bracht natuurlijk allerlei typische gebruiken en gewoonten mee. Een van de belangrijkste zaken was ritme en regelmaat in de dagorde: vastgestelde tijden voor opstaan en slapen gaan, godsdienstige oefeningen, eten, studie en lessen, vrije tijd, hobby en sport. Er bleef weinig over dat je zelf moest regelen.

’s Morgens werd je al vroeg gewekt door knecht HendrikHendrh, die luid bellend over de slaapzalen liep om iedereen wakker te schudden. Het eerste station was de kapel, waar het morgengebed (Veni Creator Spiritus) gezongen werd. Op doordeweekse dagen volgde dan de eucharistieviering, waarna ontbijt in de refter, ochtendstudie, lessen, middageten, vrije tijd, studie en lessen, avondeten, vrije tijd en dan weer op stok. Dinsdag- en dondermiddag weken wat af van het dagelijkse patroon, omdat je dan gedurende enkele aaneengesloten uren kon sporten of met wat anders bezig zijn: er waren dan geen lessen, alleen studie. De zondagsdagorde was ook afwijkend: dan was er altijd een plechtige hoogmis, geen lessen, wel studie en wat meer ruimte voor hobby en vrije tijd.


Kapel Beekvliet

Aan sommige gebruiken of gewoonten moest je even wennen. Zo was het bijvoorbeeld gebruikelijk dat je zelf toiletpapier meenam naar de wc en dat je dat ook zelf kocht (destijds kosten twee rollen 25 cent). Vanzelfsprekend was dat je je eigen toiletbenodigdheden (zoals tandpasta en zeep) en schoenpoetsspullen moest kopen. Daarvoor was een bescheiden winkeltje (de ‘Missieclub’), door studenten beheerd. Alle kleding moest gemerkt zijn: witte bandjes met rode letters en cijfers daarin geborduurd. Ik weet niet meer of mijn naam of mijn nummer er in stond; maar het was wel allemaal piekfijn in orde gemaakt door mijn moeder. Iedere dag douchen was er niet bij (en was overigens over het algemeen ook in de thuissituatie toen zo  gebruikelijk): waar haal je immers voor 400 studenten ter zelfder tijd voldoende warm water vandaan? Dus kon je wekelijks één keer douchen, volgens vastgesteld rooster. Boven de doucheruimte, waarin zich zo’n twintig douches (schat ik) waren, stond nog altijd in het Duits het opschrift ‘Duschraum’: een herinnering aan de Duitse bezetting tijdens de oorlogsjaren ’40-’45.

Helaas ben ik veel typische termen en woorden vergeten. Maar een aantal dwarrelen toch voorbij wanneer ik mijn gedachten weer bij die tijd probeer te brengen. Woorden als:

  • ‘titel’: de censor – iemand die verantwoordelijk was voor het wel en wee van één klas – had dan bij de regent een reden aangevoerd om te kunnen roken; vaak waren dat hele banale redenen zoals het begin van een nieuw seizoen of de eerste sneeuw van het jaar, maar ook meer relevante onderwerpen werden aangehaald, zoals patroondag van St. Caecilia, verjaardag van de bisschop enz.;
  • de ‘graat’ (ik weet niet meer of het met een ‘t’ of een ‘d’ geschreven werd): een populaire benaming voor het toiletblok, waarin zich een stuk of twintig wc’s bevonden;
  • de ‘Sempa’: de seminariepapieractie, waarvan leraar Frans Geboers de grote inspirator was. Er werd papier ingezameld en van de opbrengsten ervan organiseerde hij tijdens de zomervakantie reizen voor de studenten. Geboers was de Franse leraar die ons liedjes leerde als Sur le pont d’Avignon, Mon ami Pierrot.
  • ‘spiewandeling’: gezamenlijke wandeling van alle studenten aan het einde van het schooljaar, in afwachting van de overgangsuitslagen. De wandeling vond plaats buiten het terrein van Beekvliet, over de secundaire weg richting Schijndel. Voor de eerstejaars studenten was deze wandeling heel bijzonder, omdat ze dan voor het eerst mochten roken. Ik zelf ben toen ook begonnen (en weer gestopt op 29 april 2008, ruim vijftig jaar dus). Het woord ‘spie’ was afkomstig van het Latijnse woord ‘spes’, dat ‘hoop, verwachting’ betekent.
  • de ‘mosboeken’: er waren vele verenigingen actief, zoals de tuinclub (de flora), paardrijclub (daar was ik zelf bij), de triplex (beheerden een winkeltje waar je hout, zaagjes en andere hobbyspullen kon kopen), atletiekclub, voetbal- en hockeyclub en nog vele andere. Van alle activiteiten werden ‘mosboeken’ bijgehouden: daarin stond precies beschreven wie wat wanneer had gedaan, wat er zoal georganiseerd werd en welke gebruiken zo’n club kende.

Kampioenselftal hockey

Vakanties en vrije dagen

Zoals overal gebruikelijk, mocht ik tijdens de schoolvakanties naar huis: twee weken met Kerstmis en Pasen, zes weken tijdens de zomermaanden, korte vakanties tussendoor met Carnaval, Pinksteren en herfst. Toen de nieuwe regent (van Laarhoven) werd benoemd, kregen we als ‘welkomstcadeau’ aangeboden dat we ieder jaar op 5-6 december naar huis mochten om het Sinterklaasfeest te vieren. Daarnaast kreeg iedere student twee ‘snipperdagen’, naar eigen inzicht en behoefte op te nemen. Een snipperdag betekende: 24 uur ‘uit en thuis’, dus ging je ’s morgens om 10 uur weg, dan moest je de volgende dag om 10 uur weer terug zijn. Zo luidde de regel, en je had je daar gewoon aan te houden. Behalve vakantiedagen en snipperdagen kreeg je ook vrij als er thuis iets bijzonders te vieren viel (zoals bijvoorbeeld een bruiloftsjubileum, een zoveel jarig dienstverband of bestaan van het bedrijf enz.).

Klik hier voor het vervolg

Klik hier voor alle delen van dit verhaal

Reactie toevoegen

Je e-mailadres is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Platte tekst

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.