Een groot gezin
Maartje werd geboren in 1939 als eeneiige tweeling. Ze groeide op in een groot katholiek gezin. Haar moeder kreeg zeven kinderen. Toen Maartje negen jaar was, overleed haar vader. Haar moeder bleef achter met zeven jonge kinderen, van wie de jongste nog maar zes weken oud was. “Dat heeft ons gezin heftig beroerd”, vertelt Maartje.
Na enkele jaren hertrouwde haar moeder met een weduwnaar die zelf zes kinderen had. Zo groeide het gezin uit tot dertien kinderen. In Zuid-Limburg liet haar stiefvader een groot huis bouwen waar het samengestelde gezin woonde. Toch liep het huwelijk uiteindelijk stuk. Haar moeder verhuisde later naar Nijmegen.
Geloof speelde in het gezin een belangrijke rol. Vooral haar moeder maakte diepe indruk op Maartje. “Ik zie haar nog als zij in de kerk was, toen de uitvaart, de begrafenis van mijn vader was. Ze kon twee dingen doen: bij de pakken neerzitten of ervoor gaan voor haar zeven kinderen. En zij heeft de wilskracht gehad om het laatste te kiezen.”
Maartjes moeder ging in die jaren dagelijks naar de kerk. “Daar haalde zij echt haar levenskracht uit.”
Op zoek naar zusters
Na enkele jaren MMS vertrok Maartje naar het buitenland. Eerst naar Londen, waar ze in een gezin werkte en Engels leerde. Daarna volgden Frankrijk en Brussel, waar ze Frans leerde en cursussen volgde. In die jaren vond ze haar roeping.
“Ik denk dat ik zeventien was, toen ik in Londen was en in Brussel. Toen is die roeping eigenlijk ontstaan.”
Op haar vrije dag in Londen ging Maartje op zoek naar zusters. Niet via internet, want “je kon toen natuurlijk niet googelen”, maar door rond te vragen en zelf op onderzoek uit te gaan. Ze dacht dat zusters vast op het spoor waren van mensen die hulp nodig hadden. Zo kwam ze voor het eerst in contact met de Auxiliatricen. Later ontmoette ze hen opnieuw in Brussel.
(foto: collectie KDC)
Wat haar aansprak, was niet in de eerste plaats de naam van de congregatie. Die luidde voluit: Auxiliatricen van het Vagevuur. Daar had Maartje naar eigen zeggen “nooit zoveel” mee. Het ging haar om de inzet voor armen en minderbedeelden.
“Ik was vooral bewogen door de mensen die het niet zo goed hadden als ik. Dat was echt wel heel duidelijk.”
Ook de Franse priester Abbé Pierre, die zich inzette voor daklozen en armen, was voor haar een belangrijke inspiratiebron. Later raakte zij ook onder de indruk van Moeder Teresa. “Dat was mijn grote drijfveer. Ik wilde daar mijn leven aan wijden.”
Trouwen zag ze op dat moment niet als haar weg. “Ik was ervan overtuigd dat je beter niet getrouwd kon zijn om meer tijd te hebben voor de minderbedeelden. Dat was voor mij wel een overtuiging. Dat is nu geheel anders in deze tijd, maar toen was dat niet zo gek.”
Een strak stramien
In februari 1960 trad Maartje in bij de Auxiliatricen. Haar moeder steunde haar keuze, al hoorde Maartje later van haar broer en zus dat zij het moeilijk vond om haar dochter als zuster op te zoeken. Zelf merkte Maartje daar weinig van. “Mijn moeder heeft daar nooit over geklaagd. Zij was echt heel helpend.”
Maartje begon met een postulaat van zes maanden en daarna volgde een noviciaat van twee jaar in Brussel. Ze werd er voorbereid op het religieuze leven en volgde ook een cursus catechese, die ze met goed gevolg afrondde. “Het was een soort verlovingstijd om je geloften te doen.”
De vorming bij de Auxiliatricen was religieus, maar ook praktisch en karaktervormend. De congregatie was jezuïtisch georiënteerd, met veel aandacht voor gebed, inzet en dienstbaarheid. De zusters stonden niet los van de wereld, maar juist midden in de samenleving.
“Ik ben daar vooral qua karakter gevormd. Ik heb daar met vrouwen samengeleefd. Ik leefde wel in een groep toegewijde mensen. En dat heeft mij wel getekend, mijn hele leven lang.”
Dat woord “getekend” bedoelt ze nadrukkelijk niet negatief. “Ik ben altijd heel dankbaar geweest voor de vorming, voor mijn tien jaar dat ik daar geweest ben.”
Een bouwkeet in Stratum
Na haar vorming werd Maartje uitgezonden naar Eindhoven, naar de Don Boscoparochie in Stratum. De zusters woonden daar niet in een statig klooster, maar in een eenvoudige noodbarak, een 'bouwkeet' zoals Maartje het noemt, in de Heiveldstraat. Dat paste eigenlijk wel bij haar.
“Ik hield daar wel van. Het hoefde allemaal niet zo kasteelachtig te zijn. Het was goed zo voor mij.”
De parochie was nog jong. Pastoor J. Sleegers, een bouwpastoor, had "vrouwelijke hulptroepen” gevraagd voor het pastorale en sociale werk in de wijk. De Auxiliatricen vormden een kleine gemeenschap van vier à vijf zusters. Maartje herinnert zich onder meer zuster Margriet Schweigman, haar overste, zuster Mirjam Lempens en zuster Mariette Lindner, die net als zij uit Nederland kwam.
De zusters hadden in huis een eigen kapel met het Allerheiligste Sacrament. Een priester kwam de mis opdragen. De dag begon met gebed en mis, waarna het ontbijt volgde en de zusters in de wijk aan de slag gingen. ’s Avonds kwamen ze opnieuw samen voor gebed en maaltijd.
1953 (bron: collectie Eindhoven in Beeld)
“We vierden dagelijks de heilige mis,dat is nu nog steeds een van mijn hoogtepunten in de dag. de Lauden in de ochtend en de Completen in de avond. Maar verder tussendoor had je stil gebed door de dag.”
Vrije tijd, in de moderne betekenis van het woord, was er nauwelijks. “Vrije tijd zag ik vooral in het gebed. Ik had geen vrije tijd dat ik eens even kon tennissen of wandelen. Als mijn moeder op bezoek kwam, dat was vrije tijd.”
Werken in de gezinnen
Het werk van Maartje speelde zich vooral af in de gezinnen van Stratum. Ze gaf catechese aan kinderen van de lagere school, hielp in huishoudens waar dat nodig was en kwam bij mensen thuis in moeilijke omstandigheden.
“Ik heb catechese gegeven. Ik ben veel in gezinnen geweest. Ik heb daar de was gedaan als de moeder uit huis moest. Heel hard gewerkt.”
De zusters waren volgens Maartje geliefd in de wijk. “Ze zagen ons graag. Vriendelijkheid, dat trekt aan.”
Die nabijheid betekende overigens niet dat er altijd grote gesprekken werden gevoerd. Vaak was de hulp praktisch. Maar door het werk ontstond wel contact. “Je praat ook door werk.”
Maartje zag veel verdriet in de gezinnen waar ze kwam. Door ziekte, spanningen of tegenslag raakten dromen beschadigd. “Ze zijn met een illusie begonnen, maar door ziekte of door onenigheid onderling zagen ze hun droom weggaan. Ik bracht licht door een beetje het hoognodige te doen.”
Dat werk was mooi, maar ook moeilijk. Want de hulp was tijdelijk. Maartje kon verlichting brengen, maar niet alles oplossen. “Op een gegeven moment moest je daar ook weer weg. Je kon wel wat verlichting geven, maar het was niet afdoende.”
Een zoekende kerk
Maartjes jaren in Eindhoven vielen in een periode waarin de katholieke kerk sterk veranderde. Het Tweede Vaticaans Concilie, de vernieuwingen in de liturgie en de veranderende rol van priesters en religieuzen lieten ook in Stratum hun sporen na.
Pastoor Sleegers herinnert Maartje zich als een goede priester, maar ook als iemand die zocht naar zijn houding in een veranderende tijd. “Hij was een beetje vrijdenkend. Ook op liturgisch gebied.”
Voor Maartje gaf dat niet altijd houvast. Zij hechtte aan duidelijkheid en aan het religieuze ritme waarmee zij was gevormd. De discussies over liturgie en geloofspraktijk raakten haar. “Over de liturgie werd veel gedebatteerd: Je moet het allemaal niet zo nauw nemen... Het is niet zo erg... Maar wij gingen natuurlijk dagelijks naar de mis.”
Niet alleen pastoor Sleegers zocht. Ook religieuze gemeenschappen moesten zich opnieuw verhouden tot de veranderende wereld om hen heen. “Die waren ook zoekende.”
Voor Maartje boden retraites en de ignatiaanse begeleiding juist steun. Daar vond ze de helderheid die ze soms miste. “De mensen die lezingen gaven waren meer jezuïtisch gevormd. Dat gaf meer duidelijkheid dan pastoor Sleegers. Dat gaf goede steun.”
Twijfel
Toch groeide ook bij Maartje zelf de twijfel. Niet omdat zij haar jaren bij de Auxiliatricen afwees, maar omdat zij merkte dat haar weg veranderde. Het sociale werk bleef haar trekken, maar ze zag steeds duidelijker dat zij ook buiten het klooster goed werk kon doen.
“Ik merkte dat je heel goed werk kon doen buiten het klooster. Ja, en waarom zou ik niet uittreden?”
Die beslissing kwam niet plotseling. Maartje dacht er lang over na. Ze hield zelfs een retraite van dertig dagen bij pater jezuïet Piet Penning de Vries, juist om te onderzoeken wat ze moest doen. “Ik heb heel lang getwijfeld.”
Rond 1970 deed zij nog haar eeuwige geloften, al wist ze toen al dat ze niet zeker was of zij die weg kon blijven gaan. “Ik heb zelfs gezegd tegen mijn biechtvader: ik wil best mijn eeuwige geloften doen, maar ik ben er niet zo zeker van of ik dat kan waarmaken.”
Uiteindelijk trad zij in augustus 1971 uit. Het afscheid riep verbazing op. Een zuster met wie Maartje goed contact had, zei iets dat haar is bijgebleven: “Het zijn de echte goeie die weggaan.”
Geen slecht woord
Na haar uittreden ging Maartje werken. Tijdens haar kloostertijd had ze een opleiding tot huishoudkundige gevolgd. Niet lang daarna organiseerde haar tweelingzus een feest. Daar ontmoette Maartje haar toekomstige man. Ze trouwden in 1973 en kregen vier kinderen.
Inmiddels is Maartje weduwe en grootmoeder van zestien kleinkinderen.
Haar band met de Auxiliatricen bleef ook na haar uittreden bestaan. In Knokke had zij later met haar man een woning. Daar kwamen zusters jarenlang op vakantie. “Ik heb altijd goede contacten gehad met hen, met die vrouwen.”
Het maakt haar terugblik bijzonder. Maartje verliet het klooster, maar ziet geen breuk. Ze kijkt terug op een periode die haar heeft gevormd, gedragen en richting heeft gegeven.
“Ik ben heel dankbaar dat ik die tien jaar toch in het klooster heb mogen zijn. Ik wil er geen slecht woord over spreken. Dat vind ik heel belangrijk, dat dat bewaard wordt.”
Die dankbaarheid gaat niet alleen over het geloof, of alleen over het werk in de gezinnen. Voor Maartje horen die dingen bij elkaar. Het kloosterleven, de discipline, het gebed, het sociale werk, haar jeugd en haar latere leven vormen samen één lijn.
“Geloof is wel de krachtlijn van mijn leven.”
En misschien is dat de kern van haar verhaal. Maartje trad niet in omdat zij zich wilde terugtrekken uit de wereld, maar omdat zij juist naar mensen toe wilde. Naar gezinnen, kinderen, zieken, moeders die het moeilijk hadden, mensen bij wie dromen waren vastgelopen.
Ze ging het klooster in om de wereld beter te kunnen dienen. En toen zij later een andere weg koos, verdween die vorming niet uit haar leven.
“Ik ben dankbaar voor mijn leven en vooral ook voor die tien jaren die ik in het klooster heb mogen zijn."
Dit verhaal is gebaseerd op een interview van de auteur met Maartje Molkenboer-Driessen in 2026. Dit gesprek vond plaats in het bijzijn van haar dochter Pleuntje.
Reactie toevoegen